Bij wijze van inleiding

Op 4 januari 2001 trok ik met een loodzware rugzak op mijn rug en een interrail treinkaart in mijn zak, de deur van de Lage Rijndijk 92c achter mij dicht. Voor mij lag een maand lange reis in het verschiet. Dat ik naar Italië ging, was het enige dat ik wist. Ik liet mijn 3 huisgenotes in onwetendheid achter.

Ik hield zorgvuldig een dagboek bij gedurende deze maand. Elke avond priegelde ik in een schriftje mijn belevenissen. Het is tijd geworden dit verhaal te publiceren. Daar gebruik ik deze blog voor.

Veel leesplezier,

Hendrik-Jan
Posts tonen met het label catania. Alle posts tonen
Posts tonen met het label catania. Alle posts tonen

dinsdag 30 januari 2001

11.25 uur, Siracusa

Het zand van de tijd lijkt deze laatste dagen sneller te vallen dan ooit. Het idee dat ik over enige dagen weer terug ben in Nederland, wordt versterkt door het regenachtige weer dat dit eiland gisteren en vandaag treft. Het lijkt te willen zeggen: je moet gaan, het is genoeg. Daarbij neuriet de in ‘Ik hou van Holland’, met de wals erbij, grote delen van de dag door mijn hoofd. Alsof een soort van verlangen naar het vaderland mij treft. Ik verzet mij hevig tegen deze heimwee en verander Holland in Rome. Maar de melodie blijft hetzelfde.

De stad Catania wordt ten onrechte een lelijke stad genoemd. De prachtige straten, vol mooie barokgebouwen geven de stad eenzelfde charme als de flirtende bardame bij de cappuccino. Misschien zit het hart op de verkeerde plaats. Het stationsplein met de chaos en rommeligheid vormt een slechte entree. De kale betonnen gebouwen en een kermis die niet speelt, dragen daar zeker een steentje aan bij.

Na het beschreven cafébezoek toog ik naar de Chiesa San Nicolo, met een aangrenzend klooster. Goethe schrijft enthousiast over het grote orgel dat met vier manualen en 72 stemmen het grootste van het eiland is. De kerk, in restauratie, bezit een onaffe façade, waarbij de halve pilaren veel gelijkenis vertonen met de ruïne van een Griekse tempel. Of de halve pilaren zouden beter boven een graf passen, als symbool van de tijdigheid van het menselijk leven. De hoge hekken voor de grote zware kerkdeuren bleken potdicht te zijn. De kerk is evenals het aangrenzende Benedictijnenklooster het bezit van de universiteit. Het godshuis is al jarenlang in restauratie, zolang dat er meerdere orgels te bouwen zouden zijn in die tijd.

Het klooster was open en de deur werd platgelopen door studenten en docenten. Ik liep mee met de stroom en trok mijn verstrooide professor gezicht om niet op te vallen als ongewenst persoon. De controle schijnt erg streng te zijn. Zonder problemen passeerdeik de wacht. Ongetwijfeld wilde hij mij niet storen in mijn hersenspinsel over het groot filosofisch probleem, wat mijn glazige blik hem ongetwijfeld deed vermoeden. De ingangszaal bestond uit mooie natuursteen met aan weerszijden brede trappen. De wanden waren opgesierd met schitterende reliëfs waarop diverse bijbelse taferelen en verhalen over heiligen waren afgebeeld. Ik liep rechtuit en kwam in een lange kloostergang terecht. De ene kant bevatte een eindeloze rij deuren waarop bordjes aangaven welke professor er in dat kamertje huisde. Een treffende vergelijking met de dierentuin schoot mij te binnen. Daar staat op bordjes bij elke kooi welk diersoort in die ruimte verblijft.

De andere kant van de gang bevatte ramen en deuren waardoor je de ingesloten kloostertuin kon zien. Het alles werd beschermd door de prachtige gewelven die ver boven mij waren. Ik liep verder, ging de hoek om en ontdekte dat daarachter eenzelfde soort gangenstelsel was. Dit herhaalde zich enkele malen. In de kelders van het klooster was de universiteitsbibliotheek gevestigd. Tussen de fundamenten van de Romeinse termen waarop dit grote klooster, één van de grootste ter wereld, is gebouwd. In de kloosters zitten de letterenfaculteit en wijsbegeerte. In de gangen tussen de vele kloostertuinen waren stalen vloeren aangebracht. Zo konden studenten aan de tafels die daar stonden en in de erkers studeren. En in een donderflits wenste ik mijn Leidse stekkie voor Catania te verruilen. Deze onrealistische gedachte verliet mijn brein spoedig, al ging dit met een weerlichten gepaard.

Ik dwaalde er nog wat rond. Het filosofisch probleem leek de oplossing nabij en ik zocht naar de ingang van de kloosterkerk. De ‘Aula grande’ bleek echter potdicht te zijn. Met een lichte teleurstelling verliet ik het klooster en ik at bij de resten van de termen, net buiten het klooster, een banaantje. Ik had genoeg energie om naar de dom terug te keren.

Het cafeetje met de leuke bardame was gesloten en ik strande in een open kerk, de enige die ik in Catania open vond. Het as de San Benedicto, de kerk was overladen door barokke versiersels en bevatte twee mooie orgels, waarop Bellini het vak leerde. Mijn aandacht werd niet getrokken door dit alles. Tussen de pilaren stonden enorme vergeelde kandelaars. De houten stellages eronder gaven aan dat deze torenhoge gevaartes gedragen konden worden. Het geheel was opgevrolijkt met bolbuikige engeltjes en diverse heiligen. Binnen werd een verhaal in kleine beeldjes weergegeven. Aan de vrouw met de afgesneden borsten zag ik dat het om St. Agatha ging. Ook bleken de engelen plankjes in de handen te dragen waarop de twee afgesneden borsten als broodjes lagen.

Ik snelde naar een vrijwel tandloos mannetje die met zijn rinkelende sleutelbos aangaf een gids te zijn. Ik vroeg naar de enorme kandelaars en waarvoor ze gebruikt worden. Hij snelde als antwood op mijn vraag weg in een strompelpas en kwam even later met een fotoalbum terug. Hij liet een processie zien waarbij de enorme kandelaar gedragen werden. De man vertelde mij er een heel verhaal bij.

Uit het Italiaanse gebrabbel van het tandenloze mannetje kon ik weinig opmaken. De lippen gingen lispelend heen en weer en het ene boventandje kon weinig spuug uit de mond tegenhouden. Hij sprak over het feest van St. Agatha op 4 en 5 februari. Ze lopen dan in processie naar het domplein. Maar wat deden de ‘autoria’? Ze wilden het feest blokkeren. De polizia verbood de processie met de kandelaars. En boos gebaarde de man met zijn armen. Hij dreigde dat ze het toch gingen doen. Desnoods een heldhaftige ‘morta’ zouden doorstaan. Alles ter ere van de heilige martelares. Want hoe konden de autoriteiten zoiets verbieden! Voor het eerst rook ik een dranklucht uit zijn mond. Gelukkig kalmeerde hij spoedig en wees naar een informatiebord in de kerk.

Naast allerlei gebruikelijke informatie over het gebouw en het interieur, werd er vermeld dat zes van de elf Agatha-kandelaars hier bewaard werden. De kandelaars werden op het feest gedragen en daarbij zacht heen en weer bewogen. Dit gaf het geheel een mystiek effect volgens het informatiebord. Ik zou de mystiek moeten missen. Met het feest ben ik al uitlandig. Of de autoriteiten het verbieden of niet. Jammer, want een dergelijk schouwspel had ik graag willen meemaken.

Mijn bezoek aan Catania diende eigenlijk een totaal ander doel. Ik moest mijn vervloekte terugreis regelen. Omdat de reis twee dagen (ruim 40 uur) kost, wilde ik de lange reis zo gerieflijk mogelijk maken. Het overgrote deel van de trip zal ik in de nachtelijke uren doorstaan. Mijn slechte ervaring met de reis naar Palermo in de nacht, wilde ik niet nog eens herhalen. Ik wilde daarom per couchette reizen, zodat ik enkel euren nachtrust kan genieten en ‘s morgens niet halfslapend in Milaan aankom.

De couchette van Siracusa naar Milano was snel geregeld, maar dat ding van Milano naar Amsterdam bleek onregelbaar. De man bij wie ik het in de morgen vroeg, haalde zijn schouders op en zei dat ik het later maar moest proberen. Dat deed ik. Ik keerde enige uren later weer terug en vroeg het een ander. Hij sloeg aan een wild tikken op een apparaat dat op een computer leek, maar kwam er niet uit. Hij haalde er een collega bij en de heren gingen bladeren in verscheidene mappen. Het zou om een speciale trein gaan en de herekn kwamen met een kaartje voor 94.000 lires. Ik sputterde nog wat tegen, maar een andere mogelijkheid bestond er niet. De heren zouden wel eens gelijk kunnen hebben en mijn zucht naar een slaapplaats was zo groot dat ik het kaartje voor de ‘overnightexpress’ maar aannam. Wel blijkt uit dit verhaal dat de Italiaanse bureaucratie zich goed laat zien bij de staatsspoorwegen. Hoewel de NS ook wel van wanten weet als het om dit soort moeilijke vragen gaat.

De gedachten aan de terugreis deden het douane-avontuur weer in mijn herinnering terugkeren. Ik struinde 100.000 lires armer en een fortuinlijke ligplaats rijker over het station van Catania en bad God vurig. ‘Vader laat deze routinecontrole ditmaal aan mij voorbij gaan.’ Al ben ik mij bewust van de onoverkomelijkheid van deze controle, ik hoop en bid dat het ditmaal zal uitblijven. De bepette heren zullen het dan echt moeilijk krijgen. Want ik zal mij ongetwijfeld heviger verzetten dan de vorige keer. Ik haat een schending van de privacy door poedelnaakt voor zulke nieuwsgierige ventjes te moeten staan. Ik bepaal zelf wel voor wie ik de kleren uitdoe! Enfin, genoeg hierover ik ga nu Noto eens nader bekijken, want ik verblijf hier nu al enige tijd. Ik moet veel regenbuien trotseren, maar soms schenkt een vleugje zonneschijn mij lichte vreugde. Dat maakt een terugkeer naar het vaderland weer emotioneel.

20.25 uur, Siracusa

De stad Noto maakte een trieste indruk op mij. De stad is na een zeer zware aardbeving in 1693 enkele kilometers verderop herbouwd. Ze maakten wat moois van de nieuwe stad. Grote hoge huizen flankeren de straten en af en toe komt een mooie piazze de reiziger tegemoet. Vooral het domplein is een in het oog springend geheel. Een groot barokgebouw staat er in het midden en de dom behoort met haar hoge trap en een façade met twee torens grote indruk op de toeschouwer te maken.

Behoort, zei ik, want het gebouw staat op dit moment in de steigers, evenals het gebouw dat midden op het plein staat. Menig hoge gevel van de huizen staat vastgeketend tussen hout en staal om instorten te voorkomen. Zelfs de hoge poort aan de ingang van de oude stad wordt voor de toeschouwer aan het oog onttrokken door houten schuttingen en metalen steigers. De dom is er het allerbelabberst aan toe. Het hele middenschip is ingestort en de halve koepel pronkt nog geruïneerd omhoog als herinnering aan lang vervlogen tijden. Op dit moment is het gebouw in ‘reconstructione’. Een golfplaten dak hing in het middenschip, alsof het om een grote loods ging. De aardbeving van 1996 is hieraan debet. De gebeurtenis heeft de halve stad in puin veranderd. Het geheel gaf een droevige aanblik en ik hoop dat ze het allemaal op tijd opgekalefaterd hebben. Anders is de stad eenzelfde lot als in 1693 beschoren.

De regenbuien die regelmatig mijn hoofd vertroelden, bezorgden mij eveneens weinig vreugde. Het weer maakt de laatste dagen een onaangename wending. Het zou als een wenend afscheid van het eiland genoemd kunnen worden, maar je zou het slechte weer ook als een voorbereiding van de weergoden kunnen zien. Zo weet ik weer dat het in mijn vaderland dergelijke taferelen oplevert. Nu kan ik mij alvast voorbereiden op mijn terugreis.

donderdag 25 januari 2001

12.30 uur, Siracusa

Temidden van een zonovergoten Grieks theater uit de vijfde eeuw voor Christus schrijf ik dit. Gisteren baalde ik dat ik in de trein zat terwijl de zon scheen, zesenhalf uur deed ik over de circa tweehonderd kilomter van Agrigento naar Siracusa. Nu ik hier ben, in het parco archeologica, vergeet ik de hele reis. Het zonnetje doet denken aan een mooie zomerdag in juni, terwijl het hier januari is. Ik wist niet dat het hier zo warm kon zijn, dat zelfs mijn bloesje teveel lijkt te zijn. Maar ik ken mijn enthousiasme en houd het ding aan. Een verkoudheid heb ik te snel te pakken en dat terwijl ik over mijn vorige nog niet eens heen ben. De hemel is blauwer dan gisteren. Toen zag ik nog wolkjes in het luchtruim zweven. Nu is er geen wolkje aan de lucht. Je kunt je niet voorstellen hoe ik geniet. En dat terwijl in Nederland de koude regen neerdaalt, of een harde westenwind mensen van de fiets af rukt. Ik weet zeker dat ik als ik weer terug ben in Nederland, dit lekkere weer ongelooflijk zal missen. Als een verliefde die zijn geliefde lange tijd niet zien zal, zo omarm ik dit prachtige eiland. Het blijkt even raadselachtig te zijn als een geliefde. Geen enkele greep krijg ik op dit eiland, dat steeds weer een nieuwe karaktertrekje laat zien. En dat terwijl de meeste mensen bij het horen van Sicilië denken aan de Maffia. Voor mij is de gedachte aan de Maffia één van de eerste dingen die wegviel bij mijn verblijf op dit eiland.

De tocht gisteren was lang. Onderwijl trok zich het landschap aan ij voorbij. Ik zag rijen mandarijnbomen waar de vruchten oranjerijp aan hingen. De bomen zijn alleen groen en verliezen hun blad nooit. De warmte is overvloedig aanwezig. Ik zag het eerste hagedisje als bode daarvan net voor mijn voeten wegglippen. Vannacht werd ik gezocht door een mug. De zomer is hier zelfs in de winter aanwezig. Wat ben ik toch gelukkig met het Zuiden.

Al spoedig zag ik de Etna opdoemen, een enorme piramide die het landschap domineert. Vanuit de verte leek het helemaal niet op een vulkaan, maar op een uit de kluiten gewassen berg. Over meer dan 3000 meter reikt de berg en een laag sneeuw bedekte de hellingen als een kostbare steensoort op een piramide. Het gevaarte is te zien over een afstand van 250 kilomter en daarom zag ik uren later dat het weldegelijk om een vulkaar gaat. Zware rookpluimen rookten uit de krater en cirkelden om de top als een alziend oog. Hiermee leek de natuur de Egyptische godsdienst beter te verbeelden dan welke piramide door mensenhanden gemaakt. Het landschap voor de Etna kenmerkt zich door een enorme vlakte waar allerlei producten worden geteeld. De vulkanische bodem is immers vruchtbaar.

De stad Catania is verschillende malen door zware aardbevingen en vulkaanuitbarstingen getroffen. De Etna laat menigmaal zijn levenslust aan de mens blijken. De stad viel enigszins tegen. De huizen staan er verloederd bij en het moet een zeer criminele stad zijn, sommige noemen het zelfs het ‘Chicago van Sicilië’. Die informatie gaf mij onvoldoende rust om de stad uitvoeriger te bekijken. Ik was blij dat mijn stop slechts anderhalf uur bedroeg. Wanneer ik de Etna van dichtbij wil zien, zal ik de stad moeten aandoen. Naast de onveilige stad, bezit ik nog een twijfel. De vulkaan is bedekt met sneeuw en een bezoek eraan kan op een enorm fiasco uitlopen. Veel busverbindingen rijden niet, evenals het treintje. Daarom denk ik dat ik de Etna pas bij een volgend bezoek kan aandoen. Want teruggaan wil ik zeker!

De mensen zijn hier uiterst religieus. Ieder station bevat wel een kapel die door veel reizigers even aangedaan wordt. Soms staat midden op het station een Mariabeeld die aanbeden wordt door verschillende brandende kaarsjes. Ik vind dit een eigenaardig verschijnsel. Zelfs het kleinste station blijkt een kapel te bezitten, al is het op wc-formaat.

Ik vond snel een hotel hier in Siracusa en verkende gisteren de stad. De binnenstad is erg mooi, al is ze wat vervallen. Het strekt zich in zee als een uitstekende tong die tevergeefs iets van de zee wil proeven. Ik kan mij niet voorstellen dat Goethe hier niet is geweest. Kniep was er geweest en vond het een zooitje hier. Als Goethe dit theater gezien had, had hij anders gesproken. Hij leek minder aandacht te hebben voor de smeltkroes aan culturen op dit eiland. Want op weinig plaatsen zie je Griekse, Romeinse, Byzantijnse, Normandische en Arabische cultuur bij elkaar. Hier is het allemaal. Daarom ga ik gauw verder om snel verder te kijken en mij te laven aan zon en cultuur.

22.15 uur, Siracusa

De dag heb ik rustig besteed. Niet overhaast en bovenal genietend van de lekkere zon. Ik zag het amfitheater uit de Romeinse tijd die de tijd niet ongeschonden doorstaan heeft. Er was erg weinig van over. Het grote verschil met andere amfitheaters die ik ken, is dat deze uit de rotsen gehakt lijkt te zijn. Het publiek kwam zo aan de bovenzijde binnen en moest niet van beneden naar boven, zoals bij de mij bekende amfitheaters het geval is. Het grootste gedeelte van de bankjes is verdwenen en dat gaf mij een onvolledige indruk. Ik had ongetwijfeld het vrijwel ongeschonden amfitheater van Pompeii in mijn hoofd.

Ook dat Griekse theater is uit de rotsen gehakt en loopt zodoende naar beneden. Hier is het grootste gedeelte van de bankjes bewaard gebleven. Maar een akoestische list kon ik niet uitvoeren. Een weg leidde teveel af en volgens mij was de akoestiek niet meer wat ze lang geleden geweest is. Toch gaf het theater mij een aangename blik. Lange tijd zat ik er op een bankje te schrijven in dit schriftje en genoot van de zon.

De grotten nabij het theater waren overweldigend. Vooral de Orecchio di Dionizio, het oor dan Dionysius. Het lijkt op een ooringang, omringd door de schelp van de rots. Het is indrukwekkend. Ik waande mij in een heus kerkgewelf. De diepte van de grot is 60 meter en de hoogte is maarliefst 20 meter. Na een aantal stappen zag ik enkel duister voor mij en durfde ik niet meer verder te gaan. Ik voelde mij als een volk dat in duisternis wandelt. De akoestiek in de grot was wel te testen en mijn vingerknip klonk secondenlang na in het donker en eigenlijk had ik met het ‘Victimae pascali laudes’ willen afsluiten, maar een lichte verlegenheid tegenover de bewakers aan de ingang weerhield mij.

Ik liep naar de San Giovanni, een kerk die slechts uit enkele muren en pilaren bestaat. De ruimte onder het verdwenen dak leek bijna wel een park en het was moeilijk voor te stellen dat het Victimae ongetwijfeld door deze gewelven geklonken heeft. Maar daar kwam ik niet voor. De kerk bezit een prachtige cripte, van de eerste bisschop van Siracusa, San Marcian, die hier begraven werd. De ruimte in de vorm van een Grieks kruis is uit het steen gehakt en bevat prachtige fresco’s uit de vroeg-christelijke tijd. Compleet met oude pilaren waarop de vier evangelisten staan afgebeeld en Johannes, de heilige van de kerk, alle lof krijgt toegezwaaid. Het zien van de fresco’s vraagt een grote inspanning aangezien ze bijna allemaal geheel door de tijd zijn weggevaagd. Maar ik zag toch duidelijk enkele heiligen in de vorm van een icoon.

Daarnaast liggen achter de kerk catacomben. Een dergelijke begraafplaats had ik in mijn leven nog nooit bezocht. Ik verbaasde mij over de grote hoeveelheid uitgehakte graven. Eerst werd ik bevaangen door een angst te verdwalen in dit gangenstelsel. Iedere keer leidde een gangetje mij naar een grote cripte met het formaat van een kapel. De koepels waren zeker kunstig uitgehakt en ook hier waren fragmenten van fresco’s. Het mooiste was een fresco waarop ik heldere kleuren zag en mensen kon ontwaren. Ik vroeg mij af of de baardloze figuur Jezus voorstelde, wat zeer goed mogelijk is. Michelangelo durfde dit oud-christelijke gegeven weer te doorbreken, wat hem erg kwalijk is genomen. In één van de criptes durfde ik wel het paasgezang te zingen. Prachtig weerklonken de diepe bastonen die door mijn verkoudheid beter klonken dan ooit door de gewelven over de doden, die ongetwijfeld uit hun stoffige toestand wilden terugkeren tot de levenden.

Ik heb geruime tijd daar rondgedwaald om rond vijven terug te keren in het hotel, waar ik in een kort slaapje alle indrukken verwerkte. De Anna heb ik in alle rust tijdens mijn activiteiten op diverse bankjes in de zon gelezen. Ik kan niks anders wensen dat het morgen weer zulk mooi weer wordt.

woensdag 24 januari 2001

12.15 uur, tussen Agrigento en Catania

Het mooiste gedeelte van het Middeleeuwse Agrigento vind ik de omgeving rondom de Duomo. Hier staan geen moderne huizen die de Sicilianen zo zonder genade bij hun monumenten kunnen neerzetten. Alsof ze zich schamen voor al dat mooie weten ze de meest lelijke flatgebouwen op de mooiste locaties te plaatsen. Het is één van de ergste verschrikkingen die de reiziger op Sicilië treft. Net als de lelijke pompeuze snelwegen op palen, die als een giftige adder in het landschap bijten.

Maar over het voorgaande is al genoeg gekankerd en ik wil niet zozeer spreken over de lelijkheid van Sicilië, dat kunnen anderen immers beter, alswel over de schoonheid. De omgeving rond de Duomo is altijd vervuld van een raadselachtige rust. Iets waar verliefde stelletjes ook dankbaar gebruik van maken. Op het paartje pubergeliefden op een brommer gezeten na, was er niemand te bespeuren hier. Ik liep, een gregoriaans gezang fluitend, door het straatje waar aan die kant van de dom een meterslange, schitterende zeventiende eeuwse gevel prijkt. De half afgebrokkelde ingangsportalen geven voor mij juist een brok extra charme. Het zijn de onvolmaaktheden die de schoonheid juist benadrukken.

De dom was open, maar dat was vanwege de restauratiewerkzaamheden. Twee heren lieten de toorn Gods door de kerk galmen. Ze waren bezig stenen uit de vloer weg te hakken. Helaas kon ik door deze activiteiten en de invallende duisternis weinig moois in de kerk ontdekken. Zodat ik bij een volgend bezoek de kerk - godzijgeprezen - nogmaals aan moet doen. De vorige keer was-i helemaal potdicht.

De avond bracht ik door op een terras aan de via Atenea, de mainstreat van Agrigento. Rond achten heerste in de straat een grote bedrijvigheid. Vooral om het uiterlijk aan het grote publiek te etaleren. Ik dronk mijn jus ‘d orange aan een bezet terras en weldra stoorde een man de keuvelende stilte. Hij behoort tot het zwervende volk van Agrigento en ongetwijfeld ook tot de gekken. Ik had hem eerder die avond op een ander terras ontmoet. Toen liep hij met een aansteker langs de mensen. Ik dacht dat hij behoefte had aan een sigaret en merkte op dat hij een sigaret achter zijn oor had zitten. Als een potlood bij een marktkoopman hield de natuurlijke wasknijper de sigaret goed vast. Ik kon het ding net ontwaren achter het gebreide hoedje dat de man droeg. Met zijn hand in de zak van de lange beige, wonderbaarlijk genoeg schone, jas, liep hij door naar het volgende tafeltje. Onderwijl mompelde hij was vergezeld met een gemene lach, die meer aan een hoest deed denken. ZIjn gebit was in de loop van de jaren eveneens op straat terechtgekomen, omdat ik slechts twee, voor hem zeer essentiële hoektanden kon ontdekken. Ik zag het schouwspel met een glimlach aan, niet wetende dat de man een bar verder weer een one-man-show zou opvoeren.

Nu, toen ik dus met die jus-’d-orange zat, liep hij af op het tafeltje voor mij met een plastic tasje in de hand. Hij haalde er een handvol fornuisaanstekers uit en toonde een exemplaar aan het meisje. Hij brabbelde er wat bij, maar het meisje had geen behoefte aan een aansteker van een lineaalformaat. Hij dramde door en zij gaf hem duizend lires en drukte de aansteker terug in zijn hand. Nog steeds wilde hij het ding aan haar slijten, maar ze bleef even halsstarrig als hij. Hij vroeg een sigaret, stak hem ditmaal in zijn zak en droop af. Onderwijl keek hij mij indringend aan. Weer klonk het gemompel en de binnensmondse hikkende lach. Maar plotseling draaide hij zich om. Ik verwachtte ieder moment de klik van één van de aanstekers, omdat hij zich uitermate ‘maffia’-achtig omdraaide. In plaats van dit alles, opende hij het vuur met zijn mond en brabbelde in de richting van een man bij het terras. Druk gebaarde hij met zijn wijsvinger in de richting van zijn slachtoffer. Onderwijl spatte een mitrailleurvuur van klodders speeksel uit zijn mond. Hij maakte aanstalte weg te gaan, maar bedacht zich en hetzelfde tafereel deed zich nogmaals voor. Na dit toneelstuk daverde mijn applaus in een bescheiden glimlach. De man zelf zag ook het komisch element in zijn optreden en een tevreden glimlach vervulde zijn gehele stoppelbaarderige gezicht. Hij keerde zich om en liep weg. Hij nam zijn mompelen en hikkende lach met zich mee.

Niemand leek erg verbaasd te zijn over het voorgaande en pikte het gesprek weer op. Bij menigeen was het gesprek niet eens onderbroken. Waarschijnlijk betrof het hier een voorstelling die iedere avond herhaald wordt.